“U bent geen Italiaanse, hè? Waar komt u vandaan?”
Ze vraagt het me heel vriendelijk, voorzichtig zelfs alsof ze bang is door haar vraag een eind te maken aan ons gesprek.
We hebben al een tijdje zitten praten samen, deze oudere dame en ik. Het begon met haar opmerking over hoe lang het wel niet duurt voordat we aan de beurt zijn. Daarna kregen we het over het mooie weer voor de tijd van het jaar, ondanks die hoosbui van vorige week. Vervolgens hadden we het over de andere koetjes en kalfjes die men overal ter wereld tevoorschijn tovert om een gesprekje te voeren met een onbekende. En dan, op een moment van stilte, kijkt ze me aarzelend aan en stelt ze de vraag die haar al zichtbaar een tijdje bezig hield.
“Oh, Nederland! Ik dacht aan uw accent te horen dat u uit Frankrijk kwam.” Ze kijkt me nu met een grote glimlach aan, opgelucht dat ik niet beledigd ben door haar vrijpostigheid. En na me te hebben verzekerd dat ik het Italiaans best al heel goed spreek, doden we de rest van de wachttijd met verhalen over haar weekje Nederland, ergens eind jaren ’70.
Een accent is als een ‘diamant’
Een accent is, in mijn geval, voor altijd.
Het is iets waar ik nooit van mijn leven meer van afkom. Want hoe goed ik ook mijn best doe om de Italiaanse klanken om me heen na te bootsen, het sijpelt er altijd ergens tussendoor.
Een klinker die Nederlandser klinkt dan de bedoeling was.
Mijn ‘keel-r’ die lang niet zo mooi mijn mond uitrolt als die jaloersmakende tongpunt-r van de meeste Italianen.
En die er waarschijnlijk voor gaat zorgen dat ik zelfs in het bejaardentehuis nog weggezet zal worden als Française.
Ik heb me er na al die jaren maar bij neergelegd.
Net zoals ik er rekening meehoud dan nog complimenten te krijgen omdat ik al ‘best goed Italiaans spreek’. Waarbij ik, later als ik groot ben al helemaal, voor me zal houden hoe lang ik hier eigenlijk al woon. Je wilt je gesprekspartner van dat moment niet voor het hoofd te stoten na zo’n positief bedoelde uitspraak.
Frustrerende situaties waarin je je accent vervloekt
Maar soms verfoei ik het feit dat mijn ‘r’ niet net iets Italiaanser is. Want het hebben van een accent kan zo zijn nadelen hebben.
In situaties waarin de mensen met wie je spreekt niet zo open staan voor mensen die niet uit Italië komen bijvoorbeeld. Je met een schuin oog aankijken omdat je vast naar hun vaderland bent gekomen om een zonnestraaltje, of misschien zelfs wel twee, mee te pikken.
Of die vinden dat de mate waarin je accent te horen is, negatief gerelateerd is aan je verstandelijke vermogens. Je niet voor vol aanzien omdat ze niet zo goed het verschil horen tussen de door jou uitgesproken enkele en dubbele medeklinkers. Je daarom vanuit de hoogte behandelen en ervan overtuigd zijn dat zij hoe dan ook gelijk hebben.
Zelfs als dat niet zo is.
En als ook zij dat uiteindelijk inzien, veinzen je niet te begrijpen vanwege de manier waarop je het Italiaans uitspreekt. Frustrerende situaties waarin vanwege het bloed dat in je aderen begint te koken, dat accent alleen nog maar sterker tevoorschijn komt. Met die befaamde vicieuze cirkel tot gevolg.
Standaardenthousiasme en reistips
Maar in 99% van de gevallen roept mijn Italiaanse uitspraak met een Nederlands tintje gelukkig positieve reacties op.
Zie ik een klein vraagteken verschijnen op het gezicht van de persoon met wie ik praat, terwijl ze proberen mijn accent aan een land te koppelen. Met de vraag die daarna onvermijdelijk gesteld wordt: waar kom je vandaan? Zoals de oudere dame deed met wie ik in de wachtkamer zit. Haar enthousiaste reactie op mijn antwoord dat ik uit Nederlands kom is dus gelukkig bijna standaard te noemen. Net als de rest van het gesprek, want niet al te lang geleden vertoefde een broer of zus, een tante of oom, de buurvrouw of misschien zelfs zijzelf een tijdje in Nederland. En maak ik in gedachten een aantekening dat ik toch echt eens de, al net zo standaard, genoemde toeristische trekpleisters moet bezoeken om precies te weten waar ze het over hebben.
Als een toerist in Nederland.
Maar dan één zonder buitenlands accent.
